📖 Spreuken 8
-
1
Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
-
2
Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
-
3
Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
-
4
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
-
5
Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
-
6
Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
-
7
Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
-
8
Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
-
9
Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
-
10
Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
-
11
Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
-
12
Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
-
13
De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
-
14
Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
-
15
Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
-
16
Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
-
17
Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
-
18
Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
-
19
Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
-
20
Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
-
21
Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
-
22
De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
-
23
Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.
-
24
Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
-
25
Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
-
26
Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.
-
27
Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;
-
28
Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
-
29
Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
-
30
Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
-
31
Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
-
32
Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
-
33
Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
-
34
Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
-
35
Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
-
36
Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.