📖 Spreuken 4
-
1
Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
-
2
Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
-
3
Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
-
4
Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
-
5
Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
-
6
Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
-
7
De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
-
8
Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
-
9
Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
-
10
Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
-
11
Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
-
12
In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
-
13
Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
-
14
Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
-
15
Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
-
16
Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.
-
17
Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.
-
18
Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.
-
19
De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
-
20
Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
-
21
Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
-
22
Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
-
23
Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
-
24
Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
-
25
Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
-
26
Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
-
27
Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.