📖 Spreuken 19
-
1
De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
-
2
Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
-
3
De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
-
4
Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
-
5
Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.
-
6
Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
-
7
Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn.
-
8
Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
-
9
Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.
-
10
De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
-
11
Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
-
12
Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
-
13
Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
-
14
Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
-
15
Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
-
16
Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
-
17
Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
-
18
Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
-
19
Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
-
20
Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
-
21
In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
-
22
De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
-
23
De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
-
24
Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
-
25
Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
-
26
Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
-
27
Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
-
28
Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
-
29
Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.