📖 Spreuken 1
-
1
De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,
-
2
Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
-
3
Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
-
4
Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
-
5
Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
-
6
Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
-
7
De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
-
8
Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
-
9
Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
-
10
Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
-
11
Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
-
12
Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
-
13
Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.
-
14
Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
-
15
Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
-
16
Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
-
17
Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;
-
18
En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.
-
19
Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
-
20
De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.
-
21
Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
-
22
Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
-
23
Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
-
24
Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
-
25
En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;
-
26
Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
-
27
Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;
-
28
Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
-
29
Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
-
30
Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;
-
31
Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
-
32
Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
-
33
Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.