📖 Klaagliederen 5
-
1
Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.
-
2
Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders.
-
3
Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.
-
4
Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.
-
5
Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.
-
6
Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyrier, om met brood verzadigd te worden.
-
7
Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.
-
8
Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.
-
9
Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.
-
10
Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.
-
11
Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.
-
12
De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geeerd geweest.
-
13
Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.
-
14
De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.
-
15
De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.
-
16
De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!
-
17
Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.
-
18
Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen.
-
19
Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.
-
20
Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?
-
21
HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.
-
22
Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?