📖 Job 9
-
1
Maar Job antwoordde en zeide:
-
2
Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
-
3
Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
-
4
Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
-
5
Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
-
6
Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
-
7
Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
-
8
Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
-
9
Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
-
10
Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
-
11
Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
-
12
Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
-
13
God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
-
14
Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
-
15
Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
-
16
Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
-
17
Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
-
18
Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
-
19
Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
-
20
Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
-
21
Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
-
22
Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.
-
23
Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
-
24
De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
-
25
En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
-
26
Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
-
27
Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
-
28
Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
-
29
Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
-
30
Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
-
31
Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
-
32
Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
-
33
Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.
-
34
Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
-
35
Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.