📖 Job 38
-
1
Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
-
2
Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
-
3
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
-
4
Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
-
5
Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
-
6
Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
-
7
Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
-
8
Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?
-
9
Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
-
10
Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
-
11
En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
-
12
Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;
-
13
Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
-
14
Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
-
15
En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
-
16
Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
-
17
Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
-
18
Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
-
19
Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
-
20
Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
-
21
Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
-
22
Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
-
23
Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!
-
24
Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
-
25
Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
-
26
Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;
-
27
Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.
-
28
Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?
-
29
Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?
-
30
Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.
-
31
Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?
-
32
Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?
-
33
Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
-
34
Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
-
35
Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
-
36
Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?
-
37
Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?
-
38
Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?
-
39
-
40
-
41