📖 Job 3
-
1
Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
-
2
Want Job antwoordde en zeide:
-
3
De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;
-
4
Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;
-
5
Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!
-
6
Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!
-
7
Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;
-
8
Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;
-
9
Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!
-
10
Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.
-
11
Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?
-
12
Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?
-
13
Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
-
14
Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
-
15
Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
-
16
Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
-
17
Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
-
18
Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.
-
19
De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.
-
20
Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?
-
21
Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;
-
22
Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;
-
23
Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?
-
24
Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.
-
25
Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.
-
26
Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.