📖 Job 22
-
1
Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
-
2
Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.
-
3
Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
-
4
Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
-
5
Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
-
6
Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.
-
7
Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.
-
8
Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
-
9
De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
-
10
Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
-
11
Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
-
12
Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.
-
13
Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?
-
14
De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
-
15
Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
-
16
Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
-
17
Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan?
-
18
Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.
-
19
De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;
-
20
Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.
-
21
Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
-
22
Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
-
23
Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
-
24
Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;
-
25
Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
-
26
Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
-
27
Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
-
28
Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.
-
29
Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.
-
30
Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.