📖 Job 21
-
1
Maar Job antwoordde en zeide:
-
2
Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
-
3
Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
-
4
Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
-
5
Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
-
6
Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.
-
7
Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?
-
8
Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.
-
9
Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.
-
10
Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.
-
11
Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.
-
12
Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.
-
13
In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
-
14
Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.
-
15
Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?
-
16
Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.
-
17
Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!
-
18
Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;
-
19
Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;
-
20
Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!
-
21
Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?
-
22
Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
-
23
Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;
-
24
Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.
-
25
De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.
-
26
Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.
-
27
Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.
-
28
Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
-
29
Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?
-
30
Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
-
31
Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
-
32
Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.
-
33
De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.
-
34
Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?