📖 Job 17
-
1
Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.
-
2
Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
-
3
Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.
-
4
Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.
-
5
Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.
-
6
Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.
-
7
Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.
-
8
De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;
-
9
En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.
-
10
Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
-
11
Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.
-
12
Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.
-
13
Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.
-
14
Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!
-
15
Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?
-
16
Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.