📖 Job 13
-
1
Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
-
2
Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u.
-
3
Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
-
4
Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.
-
5
Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
-
6
Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
-
7
Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
-
8
Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
-
9
Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?
-
10
Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.
-
11
Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
-
12
Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem.
-
13
Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
-
14
Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
-
15
Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
-
16
Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen.
-
17
Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
-
18
Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
-
19
Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
-
20
Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.
-
21
Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.
-
22
Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
-
23
Hoeveel misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonden mij bekend.
-
24
Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
-
25
Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult Gij een drogen stoppel vervolgen?
-
26
Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen; en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid.
-
27
Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten,
-
28
En hij veroudert als een verrotting, als een kleed, dat de mot opeet.